Columns

Wachten

De twee rijen voor de kaaskraam zijn lang. Heel lang. Het oudere echtpaar werkt onverdroten door en laat zich absoluut niet van de wijs brengen. Zelfs niet wanneer er radicale maatregelen genomen worden om de wachtende klanten beter over het marktplein te dirigeren. Een collega marktkoopman pakt een krijtje en krast twee zwierige lijnen op de straat. Of wij als ongedurige consumenten even achter elkaar op de lijntjes willen gaan staan. Vanwege de doorvoer, vertelt hij. Maar zeer waarschijnlijk ook om opstoppingsgevaar tegen te gaan. De kans wordt namelijk een stuk kleiner dat er bij hem fruit gekocht wordt wanneer al die kaasklanten precies voor zijn kraam wachten.
Terug naar de twee eindeloos lijkende rijen. Waar zal ik aansluiten? Bij hem of bij haar? Eerlijk gezegd maakt het me niets uit. Ik heb me er jaren geleden bij neergelegd dat ik stelselmatig in de verkeerde rij sta. Dat is kennelijk het lot en daar heb ik vrede mee. Een groot voordeel? Die berusting zorgt er voor dat ik anders tegen het werkwoord 'wachten' aankijk. Daar waar ik wachten vroeger altijd en overal een drama vond, beschouw ik het tegenwoordig als spontane pauze van mijn dagelijkse beslommeringen.

'Wil jij ook een plakje?'

Deze woensdag zijn de twee rijen voor de welbekende kaasboer op de markt zó lang, dat er meerdere bekenden in staan. Zoals bijvoorbeeld die creatieve kunstenares. Of die moeder van het voetbalcollegaatje van mijn zoon. Of die meneer waar ik vroeger mee gewerkt heb bij één van mijn weekendbaantjes (een benzinestation). Het zorgt voor korte gesprekjes die de tijd doden. Ik kijk naar een blond meisje dat langs de beide rijen heen en weer dartelt. Ik moet denken aan die keer dat ik hier met mijn kind stond. Toen we aan de beurt waren, vroeg de kaasmeneer aan mijn zoon die toen nog amper praten kon: 'Wil jij ook een plakje kaas?' Hij reageerde ferm: 'Nee, want kaas is vies!' De kaaskoopman keek beteuterd, uit de twee rijen klonk gegniffel. De herinnering stemt me ietwat filosofisch. Tjonge, weer een jaar voorbij. Tijd gaat altijd door, tijd laat in ieder geval nooit op zich wachten. Terug naar het dartelende meisje. Aan haar wordt exact dezelfde vraag gesteld. Ze neemt het plakje gretig aan. De kaasmeneer wenst haar en haar moeder een fijne dag. Het duo reageert enthousiast. Het echtpaar achter hen ook. Want zij zijn nu aan de beurt.

Rijen zijn hier altijd lang. Maar daar legt niet iedereen zich bij neer. Ze hebben haast, kijken geagiteerd op hun telefoontje of tikken zenuwachtig met hun schoenzolen op de grond. Speciaal voor hen probeert iemand een grapje te maken. Ergens bij de witte streep van de fruitkoopman ligt nog een half krijtje. De man bukt zich, pakt het stompje op en begint te schrijven. Halverwege de lange rij verschijnt er een zin op straat: 'U bent er bijna'.

Dan is het mijn beurt. Bij de kaasmevrouw bestel ik een kilootje belegen. Ze snijdt, weegt en wikkelt in. Ik reken af. Thuis blijkt dat er naast het kleingeld uit mijn broekzak ook een klein wit krijtje tevoorschijn komt. Ik lach en hoop dat, door mijn woorden, het wachten bij anderen ook een stukje dragelijker geworden is.
 

Dennis Dekker

Dennis Dekker
Meer berichten